Adventsbrief 2017 van bisschop C.F.M van den Hout

Brief bij gelegenheid van de advent 2017

Aan de priesters, diakens, pastoraal werkers, besturen en parochianen,

Vandaag begint de advent, de voorbereidingsperiode van Kerstmis. We vieren dat de Heer gekomen is, maar ook dat Hij de Komende is. We spreken van een tweevoudige, of zelfs van een drievoudige komst. Deze gedachte is mij dierbaar en voedt mij in mijn geloofsleven.

De eerste komst van Christus is historisch. De geboorte van Jezus vond plaats in de geschiedenis zoals we zullen horen in het evangelie van de nachtmis “in die dagen kwam er een besluit van keizer Augustus …” en in het evangelie van de dagmis “het ware licht, dat iedere mens verlicht, kwam in de wereld.” Deze teksten horen bij Kerstmis en worden door iedereen herkend. Hierbij sluit aan dat onze godsdienst een culturele waarde vertegenwoordigt. Ook zij die niet uitdrukkelijk in God geloven waarderen de Kerk en de kerkgebouwen dikwijls als een belangrijk historisch en cultureel erfgoed. Velen zijn bezorgd om de toekomst van onze kerkgebouwen en weer anderen bekommeren zich om het behoud van christelijke waarden en het doorvertellen van de verhalen uit de Bijbel en de betekenis van de christelijke iconografie.

De tweede komst van Christus is die welke plaats vindt in ons eigen geloofsleven nú. Het aanwezig komen van Christus kunnen we vooral beleven in de liturgie, het gebed en in het ontvangen van de sacramenten. Om deze komst te kunnen ervaren is het nodig dat we persoonlijk geloven en ons persoonlijk engageren. Het vraagt meer dan een algemene religieuze belangstelling; het vraagt overgave en openheid voor Gods openbaring door en met de Kerk.

De derde komst van Christus zou ik willen verbinden met het morele leven en de naastenliefde. Op het einde der tijden komt Christus in zijn volle glorie. Het laatste gedeelte van het kerkelijk jaar, als we de overgang naar Kerstmis gaan maken, houdt ons de gedachte voor dat al het aardse eens zal ophouden te bestaan en dat God alles in allen zal zijn. Met het zicht hierop worden wij uitgedaagd goed en rechtvaardig te leven in deze tijd en bereid te zijn om mee te gaan als Hij komt. Bereid zijn betekent niet alleen dat we Hem verwachten, maar ook dat we ernaar leven.

De komst van Christus gaat over toen, over nu en over straks. Geloven gaat over geschiedenis en wat ooit heeft plaats gevonden, het gaat over mijn gelovig en morele leven nu, en het gaat over wat we mogen hopen en waarnaar we uitzien, de voltooiing.

Sinds mijn wijding tot bisschop van ons bisdom Groningen-Leeuwarden heb ik een intensieve periode achter de rug van kennis maken. De eerste indrukken heb ik opgedaan van het voor mij nieuwe gebied. De bezoeken aan de parochies waren voor mij leerzaam, maar ook ontspannen en gezellig. Thuis in het bisdomhuis heb ik diverse mensen afzonderlijk gesproken, en ik heb kennis gemaakt met de diverse geledingen van en in het bisdom. De kennismaking zal nog even doorgaan.

Als ik een eerste indruk mag geven van wat me is opgevallen. De afzonderlijke streken en gebieden vertonen onderling veel verschillen. De historische, culturele en sociale ontwikkelingen van Groningen, Friesland, Drenthe en de Noord-Oostpolder zijn heel divers geweest. Dat maakt het bisdom interessant. In demografisch opzicht viel een aantal keren de opmerking dat er nogal wat krimpgebieden zijn. Het bisdom bevat veel kleine gemeenschappen; van de gefuseerde parochies is er geen waarvan het nominaal aantal katholieken de 10.000 overstijgt. De gemeenschappen liggen ver uit elkaar. Er zijn oude katholieke enclaves met prachtige oude kerken, maar er zijn ook jonge parochies die in de 19e en 20e eeuw ontstaan zijn vanuit een toestroom van katholieken elders uit Nederland en zelfs vanuit Duitsland. Dit proces van kerkstichting is tot in de jaren 60 van de vorige eeuw doorgegaan. Het aantal pastorale beroepskrachten is in vergelijking met andere bisdommen relatief groot, maar in absolute aantallen is het aantal klein. De onderlinge verhoudingen zijn over het algemeen goed. Ook zijn er veelvuldige en intensieve contacten met andere christenen.

De ontwikkeling van samenwerking die al decennia geleden begonnen is, heeft uiteindelijk geresulteerd in een negentiental fusieprocessen. Ik denk dat het goed is geweest dat er voor een eenduidig fusiemodel is gekozen voor de parochies en de parochiële caritasinstellingen. Tijdens de bezoeken werd af en toe melding gemaakt van de krimp die er is in onze parochies. Iedereen is zich daar terdege van bewust. Deze ontwikkeling zullen we niet kunnen keren. De vraag is wat ons te doen staat en waar we onze kostbare energie het beste in kunnen steken. De samenwerking tussen de verschillende locaties in een parochie zal de komende jaren toenemen; ik zou dat proces graag willen bevorderen. Zoekt elkaars sterke kanten en durf op de kracht van de ander te vertrouwen en onderneem samen nieuwe activiteiten.

Het formuleren van nieuw beleid is in het eerste jaar niet aan de orde. Toch zou ik al wel iets kunnen aangeven. Een verdieping van de eigen katholieke identiteit lijkt me belangrijk. Om in relatie tot andere christenen en de samenleving een rol te kunnen spelen van betekenis, is helderheid van de eigen missie nodig. Vanuit een eigen identiteit kun je het gesprek aangaan en kan een gesprek ook vruchtbaar zijn. Inhoudelijke verdieping van de eigen godsdienst lijkt mij onmisbaar.

Beginnend bij de inhoudelijke interesse voor het geloof zouden we ons achtereenvolgens een aantal vragen kunnen stellen die leidend kunnen zijn bij het organiseren van het pastoraat:

  • wat betekent het dat ik geloof?
  • waarom doe ik dat met anderen?
  • wat hebben we daar samen dan voor nodig?
  • wat moet het pastoraal team aanbieden en organiseren, in samenwerking met de parochianen?
  • hoe kan het parochiebestuur dit faciliteren?

We beginnen nooit vanuit het niets en we kunnen alleen maar voortbouwen op wat onze voorouders aan fundamenten hebben gelegd. Toch is het moment gekomen om eens opnieuw het parochieleven te doordenken, en te bekijken hoe we ons op de nieuwe omstandigheden kunnen instellen. De priesters, diakens en pastoraal werkers kunnen niet meer de ‘service’ bieden die ze vroeger boden. Er wordt meer eigen werkzaamheid van de parochianen gevraagd en de bereidheid om zelf nieuwe wegen te zoeken; dit alles uiteraard binnen de normale en bekende kaders van onze Kerk en in eenheid met het bisdom en de wereldkerk. Het pastoraat zal eenvoudiger georganiseerd moeten worden. En we zullen keuzes moeten maken en activiteiten samenbrengen en concentreren.

Wat betreft de liturgie en de bediening van de sacramenten zou ik herhaald aandacht willen vragen voor het vieren van de zondag met de eucharistie. Binnen de gegeven omstandigheden zal iedereen daar zo veel mogelijk aan mee werken. Aan ieder van u zou ik willen vragen om te bidden voor priesterroepingen en voor een klimaat waarin roepingen in het algemeen kunnen worden herkend en beantwoord. De Kerk heeft priesters nodig. Zij zijn de eerste medewerkers van de bisschop en hebben hun leven geheel in dienst gesteld van de Kerk door hun celibataire levensstaat.

Tijdens de officiële bezoeken aan de parochies heb ik veel positiviteit ervaren en wilskracht om zich voor de mensen in te zetten. Ik bewonder de energie die ik heb gezien en het enthousiasme waarmee wordt gewerkt. Ook heb ik in een aantal parochies gezien hoe men diaconaal aan de weg timmert. Het wordt weer tijd dat we als Kerk onze rol opnemen in de samenleving, en dat we er zijn voor de armen, noodlijdenden, migranten enz. De voorbeelden die ik heb gezien hebben me gesterkt in de overtuiging dat het mogelijk is. We worden ook meer Kerk als we ons diaconaal gezicht laten zien.

Als Kerk hebben we een maatschappelijk positie die we moeten proberen te behouden. We dragen een cultuur met ons mee die Europa heeft getekend en die goed was en is. We hebben ook morele overtuigingen – bijvoorbeeld over leven en dood – die zeker in deze tijd gehoord moeten blijven worden. Daarnaast hebben we als Kerk onze verantwoordelijkheid naar onszelf en naar onze medegelovigen, dat wij gevoed en gesterkt worden en meer overtuigd van de werking van Gods Geest in ons leven.

Mag ik deze brief beëindigen met een gebed? Zoals een pastoor bidt voor zijn parochianen, zo bidt een bisschop voor zijn diocesanen.

God, de periode van de advent breekt aan en we stellen ons in op de komst van Christus en op het vieren van Zijn geboorte. Aan het begin van deze sterke en verwachtingsvolle tijd wil ik bidden voor het mij toevertrouwde deel van uw volk, het bisdom Groningen – Leeuwarden. Dat eenieder persoonlijk en samen met anderen deel mag krijgen aan het Rijk Gods, dat Gij ons nabij brengt in uw Zoon.

Ik wens u allen een goede voorbereidingstijd op Kerstmis.

+ dr. Cornelis F.M. van den Hout bisschop van Groningen – Leeuwarden